
Job
Tot U sla ik mijn ogen neer
Gij die woont in slijk
Zie, gelijk de ogen der meesters
gericht zijn op de geworpenen
tel ik: één middelvinger
maakt stinkende wonden
Ik ben doordrongen van de bron
die louter vuil spuit
Heeft de regen een vader?
Uit welke schoot spat modder?
Hagel en sneeuw spaar ik op
voor moeilijke dagen
De overwinning is een ijzige vlakte
Het podium een glijbaan
Mijn vrouw vindt dat ik stink.


