Ik ben het kleine ezeltje van Jaïrus
Grauw is mijn gebed
Triest mijn ene oog
Ik werp een steen naar elke renner
die mij voorbij flitst zonder groet
Het kleine ezeltje van Jaïrus
in zijn dorre land van I en A
Ik wil een berggeit die mij bespringt
of een renner met een schalkse blik
Zo’n Summie som van al mijn zomers
verlangen naar een spel
bijna twee meter joie du jeu
Katje-duik, ezeltje-strek-je
tussen schaafsel, stro en liksteen
Ik ben het kleine ezeltje van Jaïrus
Ik bid voor kiezels op de weg
spijkers, distels, schroot
of dat zo’n Summie mij als helper wil
kleine keikop die zich aan de stenen stoot.




